Home > KSBS > Historie

De geschiedenis van de KSBS

Het ontstaan van de Katholieke Stichting voor Blinden en Slechtzienden ligt in de tweede helft van de negentiende eeuw. De Graafse instituten voor blinde en slechtziende kinderen hadden  aanvankelijk vele tientallen jaren moeite het hoofd boven water te houden.  Dankzij het initiatief van particulieren, de ondersteuning van de rooms-katholieke kerk en de hulp van héél veel trouwe donateurs heeft de KSBS het onderwijs en de zorg voor blinde en slechtziende kinderen in Grave en Zuid-Nederland, en later ook in ontwikkelingslanden, hele belangrijke impulsen kunnen geven.

Het begin van de Graafse instituten

Foto van het Sint Henricus gebouw voor de vergroting van 1888

In de tweede helft van de negentiende eeuw namen de Fraters van Tilburg en de Zusters van Liefde in Grave de zorg op zich voor respectievelijk katholieke blinde jongens in Sint Henricus (1859) en katholieke blinde meisjes in de Wijnberg (1882). Beide instituten dankten hun ontstaan aan de vrijgevigheid van de Graafse familie De la Geneste. Die stelde geld ter beschikking voor de gebouwen en voor fondsen om de eerste jaren door te komen.

De fraters en zusters zorgden zonder salaris voor de zorg en het onderwijs. Maar om de instituten in stand te kunnen houden was er structureel geld nodig, want de meeste ouders waren en bleven niet in staat het kostgeld op te brengen. Dat maakte de instituten afhankelijk van de liefdadigheid van de Nederlandse katholieken, want van de overheid viel in die tijd weinig te verwachten. Beide instituten konden dan ook amper hun hoofd boven water houden.

Twee particulieren uit Amsterdam wilden hier verbetering in brengen en besloten, met toestemming van de Bisschop van Den Bosch, een beroep te doen op de “alom bekende liefdadigheid onzer katholieke landgenoten”. Daarmee werd de kiem gelegd voor de Katholieke Stichting voor Blinden en Slechtzienden.

Bisschoppelijke Blinden Commissie

Foto van blinde mannen die spelletjes doen en lezen in een soort recreatiezaal met fraters op de achtergrond. Op de foto staat te lezen: r.k. blindeninstituut St. Henricus te Grave, speelzaal der grooten.

Op 2 september 1886 werd met toestemming van de Nederlandse bisschoppen een commissie in het leven geroepen die geldelijke inzamelingen voor de beide instituten moest gaan regelen. De commissie kreeg op 23 september 1887 de status van een ‘’kerkelijke instelling van weldadigheid’’ onder de naam: Instituut of Gesticht voor Blinden, beter bekend als de Bisschoppelijke Blinden Commissie. De commissie organiseerde een netwerk van correspondenten in parochies door het hele land die zoveel mogelijk medekatholieken ertoe moesten bewegen het werk van de instituten met jaarlijks f 2,50 te ondersteunen.

Meteen in 1887 waren er al 150 correspondenten actief die in datzelfde jaar nog 400 donateurs wisten te werven. Donateurs en correspondenten werden op de hoogte gehouden door een jaarverslag dat in 1888 voor het eerst verscheen. Daarin stond vermeld wat er het afgelopen jaar was gebeurd op de instituten en ook werden de namen van de correspondenten en de blinden vermeld. Zo legde men verantwoording af over wat er met de ingezamelde gelden was gebeurd.

Foto van een klas met blinde meisjes in banken achter brailleermachines.

De door de correspondenten vergaarde jaarlijkse bijdragen en een gestage stroom aan incidentele giften, lijfrenten en legaten hebben Sint Henricus en De Wijnberg in staat gesteld hun activiteiten in stand te houden en zelfs aanzienlijk uit te breiden: opvoeding en onderwijs voor steeds meer blinde kinderen, een gezinsvervangend tehuis voor volwassen blinden, betere onderwijsmethoden, betere huisvesting.

Ook voor de verbouwingen en nieuwbouw van de instituten Sint-Henricus (in 1888, 1893, 1927-1930 en 1964-1966) en De Wijnberg (in 1894, 1931-1934 en 1962-1965) kon men steeds rekenen op de steun van de Bisschoppelijke Blinden Commissie.

Foto van de voorgevel van de nieuwbouw van St. Henricus, voltooid in 1930.
Historische foto van Blindeninstituut "De Wijnberg" te Grave
Foto nieuwbouw Henricus in Nijmegen, geopend in 1967.

De rol van de overheid neemt toe

In het voorjaar van 1914 vestigde Baron van Wijnbergen, lid van de Tweede Kamer en voorvechter van het katholiek onderwijs, in de kamer de aandacht op het onderwijs aan blinden te Grave, “dat wel verdiende de financiële bescherming van den Staat”. Vele Kamerleden waren verbaasd, ze hadden nog nooit van dit instituut gehoord.  Het Rotterdamse r.k. dagblad De Maasbode stuurde zijn redacteur pater Hermans daarna naar Sint Henricus. Hij schreef er drie artikelen over, die werden gebundeld in de brochure “wat ze in de Kamer niet wisten”. Het belang van subsidiëring werd zo landelijk op de kaart gezet.

Een foto van 4 jongetjes in een klasje. Onder de foto de tekst "Frans Roos, Wim Huijbregts, Piet de Beer. Schiermanie."

Het zou echter nog tot 1923 duren, alvorens de Kamer het besluit nam dat ‘’de leraren der blinden’’ een salaris kregen conform de regeling Buitengewoon Lager Onderwijs. Ook ontvingen de instituten vanaf die tijd een bijdrage voor leermiddelen en huisvesting. De kosten voor de internaats- en volwassenenzorg, inclusief de gebouwen die daarbij hoorden, bleven echter voor rekening komen van de congregaties van de fraters en zusters zelf en van de Bisschoppelijke Blinden Commissie. Pas met de invoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in 1968 werden ook de kosten voor verblijf in het internaat betaald krachtens deze volksverzekering.

Werving van donateurs

Foto van oude briefkaart met een plaatje van blinde jongen met tijger die in de jaren vijftig gebruikt werd als propagandamateriaal.

In de eerste helft van de vorige eeuw gaf de Bisschoppelijke Blinden Commissie ansichtkaarten en propagandaboekjes uit en richtte zich als daar aanleiding toe bestond met aparte circulaires en advertenties tot de katholieke geloofsgemeenschap. Ook werd er in de meeste katholieke kerken jaarlijkse een collecte gehouden voor de beide Blindeninstituten in Grave.

Foto van een kop van De Stem van Grave uit 1957.

In 1951 wordt het jaarverslag vervangen door het periodiek De  Stem van Grave dat viermaal per jaar gaat verschijnen. Men wilde daarmee meer mensen bij het werk van de instituten betrekken. Het systeem van correspondenten werd afgeschaft. De jaarlijkse bijdragen werden voortaan geïnd via abonnementsgeld op De Stem van Grave. Tot 1982 werden nieuwe donateurs geworven door acquisiteurs die langs de deur gingen. Veel katholieke gezinnen in het zuiden van het land werden donateur. Op het hoogtepunt eind jaren zestig waren het er meer dan 160.000.

Ansichtkaart waarop 3 mannen zichtbaar zijn in een weef-fabriek, voorzien van de tekst "Waar zijn de koopers? Wij weven loopers!"
Foto van een kaart met daarop het gebouw van r.k. Blindeninstituut St. Henricus en de tekst: 'Het huis waar blinden blijheid leren'.
Foto van omslag van een mapje ansichten dat gebruikt werd als reclamemateriaal. Op de voorkant staan twee musicerende blinden en de voordeur van r.k. Blindeninstituut St. Henricus te Grave met de tekst: Serie a - 5 kaarten - prijs 10 cent - giro 14891 - tel. 6 - Grave.

Nieuwe naam en uitbreiding activiteiten

De na 1968 gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen en financiële omstandigheden in zorg en onderwijs voor blinden en slechtzienden vroegen om aanpassing en uitbreiding van de doelstelling van de Bisschoppelijke Blinden Commissie. In 1984 kwamen er nieuwe statuten en een nieuwe naam: Katholieke Stichting voor Blinden en Slechtzienden (KSBS).

Besloten werd toen om ook gelden te gaan besteden aan de zorg voor blinden in landen waar nog zeer veel gehandicapte mensen zonder adequate zorg en onderwijs moeten leven. Als eerste werd gekozen voor enkele projecten in Tanzania en India. In India kregen bijvoorbeeld tussen 1993 en 2010 tienduizenden mensen een staaroperatie, waardoor ze weer aan het normale leven konden deelnemen.

Na de val van de muur komt er ook veel aandacht voor Centraal- en Oost-Europa. Daarbij gaat het voornamelijk over overdracht van kennis en vaardigheden via uitwisselingsprogramma’s, workshops, seminars en conferenties. Ook deze activiteiten zouden niet mogelijk geweest zijn zonder financiële ondersteuning van de KSBS.